tentamen jaar 1
問題一覧
1
Onwaar
2
Kiem fase
3
onwaar
4
Eukaryote cellen hebben een celkern en organellen, prokaryote cellen niet.
5
G+
6
waar
7
Onwaar
8
Onwaar
9
1 dag, soms langer
10
Dat is de relatie tussen inname van verschillende hoeveelheden pathogenen/toxines en het effect op een persoon
11
Onwaar
12
waar
13
Rauw vlees, kip/kalkoen, eieren, kip en melk(producten)
14
Waar
15
Bij ongeveer 107 bacteriën/g product
16
waar
17
Omdat die levensmiddelen uit microbiologisch oogpunt zeer bederfelijk zijn en om die reden na korte tijd een onmiddellijk gevaar voor de menselijke gezondheid kunnen opleveren.
18
Verlaagd de wateractiviteit, laat micro-organismen afsterven en stopt de groei daarvan.
19
waar
20
0,80-0,60
21
waar
22
Vetoplosbare vitaminen zijn hydrofoob, wateroplosbare vitaminen niet
23
Het risico op toxische effecten van wateroplosbare vitaminen is laag
24
D en K
25
Vitaminen zijn essentieel bij de productie van energie in het lichaam
26
Folaat
27
In de lever
28
Het zijn anorganische elementen
29
Verminderde botdichtheid
30
Vitaminen uit plantaardige bronnen hebben een hogere biobeschikbaarheid dan vitaminen uit dierlijke bronnen
31
Het bevindt zich voornamelijk extracellulair
32
Vitamine A - ontwikkeling van huidcellen mogelijk maken
33
Mineralen kunnen onderdeel van een molecuul worden
34
waar
35
Omdat de opname van vitamine B12 vermindert
36
Renine zorgt voor de omzetting van angiotensinogeen in angiotensine I
37
meer dan 1000 liter
38
Uitscheiden van overtollig fosfaat
39
Resorptie is het opnemen van stoffen uit de voorurine in het bloed
40
De nierslagader voert ongefiltreerd bloed aan De nierader voert gefiltreerd bloed af De urether voert urine af
41
De voorurine bevat geen eiwitten, het bloed in de capillairen wel
42
In de proximale tubulus, de lis van Henle, de distale tubulus én de verzamelbuis
43
Hyperthyroïdie
44
De hypothalamus
45
Alle bovenstaande antwoorden zijn juist
46
Thyroxine
47
Alle bovenstaande antwoorden zijn juist
48
Dan gaat de productie van TRH en TSH omhoog
49
Alle bovenstaande antwoorden zijn juist
50
Vergrote schildklier
51
Lage botdichtheid
52
De bijschildkliertjes gaan minder PTH afgeven
53
Ze nemen niet voldoende calcium op
54
beide stellingen zijn juist
55
Stimuleren calciumopname door botweefsel
56
Vitamine D, cacitonine en parathormoon (PTH)
57
Periost - substantia compacta - substantia spongiosa - beenmerg
58
Het bevorderen van de opname van calcium in de darmen
59
Overtollig ijzer raakt het lichaam daardoor moeilijk kwijt
60
Het ijzer in deze cellen wordt opgenomen door de lever en milt
61
onwaar
62
Rode bloedcellen zijn vergroot bij foliumzuurgebrek en kleiner bij ijzergebrek
63
Om zuurstof de spiercellen in te transporteren
64
De binding beschermt het lichaam tegen oxidatieschade
65
waar
66
Als ferritine complex
67
Het is een belangrijk onderdeel van het celmembraan
68
De grootte van de rode bloedcellen kleiner dan normaal
69
Onwaar
70
Fysische gevaren, chemische gevaren, microbiologische gevaren, allergenen en radioactiviteit
71
De fase waar het uiteindelijke toxische effect tot stand komt
72
De fase van de opname, verdeling, biotransformatie en uitscheiding van de toxische stof in het lichaam
73
De lever
74
Xenobioticum
75
Wateroplosbare stof
76
De NOAEL (of BMDL) wordt bij proefdieren bepaald, vervolgens wordt deze gedeeld door een veiligheidsfactor van 100
77
De laagte dosering met waarneembaar toxisch effect ligt rond de 18 mg
78
Stukjes metaal, glas en plastic
79
eiwitten in het celmembraan, cytoplasma of celkern waarmee een bepaald molecuul kan binden.
80
Deze genen zorgen ervoor dat een cel met te veel of onherstelbare DNA-schade overgaat tot celdood.
81
waar
82
Cafeïne, glycyrrhizine en glycoalkaloïden
83
Fycotoxinen zijn gifstoffen gevormd door algen
84
Via milieuverontreinigingen
85
TDI en ARfD
86
DDT hoopt zich op in vetweefsel van iedere schakel in de voedselketen
87
De stof wordt heel langzaam of niet afgebroken door de natuur
88
Leverworst, eieren en melk
89
Een functionele klasse hoeft niet vermeld te worden op een etiket
90
EU1333/2008
91
2
92
Om een technologische functie in een voedingsmiddel te vervullen
93
Schatting van de hoeveelheid bestrijdingsmiddel die je binnen 24 uur kan innemen zonder dat het slecht is voor de gezondheid.
94
De MRL, oftewel het maximale residu limiet, wordt gecontroleerd door de NVWA
95
Worden o.a. gebruikt om de melkproductie te stimuleren
96
waar
97
Zijn gewasbeschermingsmiddelen tegen bodem-aaltjes
98
Furaan is een stof die hierbij kan ontstaan
99
Bij de vorming van acrylamide reageert het aminozuur asparagine met een reducerende suiker.
100
Mayonaise
Tentamen
Tentamen
ユーザ名非公開 · 100問 · 1年前Tentamen
Tentamen
100問 • 1年前tentamen
tentamen
ユーザ名非公開 · 86問 · 1年前tentamen
tentamen
86問 • 1年前Voeding
Voeding
ユーザ名非公開 · 24問 · 9ヶ月前Voeding
Voeding
24問 • 9ヶ月前Fysiologie
Fysiologie
ユーザ名非公開 · 49問 · 9ヶ月前Fysiologie
Fysiologie
49問 • 9ヶ月前pathogene
pathogene
ユーザ名非公開 · 30問 · 9ヶ月前pathogene
pathogene
30問 • 9ヶ月前Toxicologie
Toxicologie
ユーザ名非公開 · 40問 · 9ヶ月前Toxicologie
Toxicologie
40問 • 9ヶ月前Vitamines en Mineralen
Vitamines en Mineralen
ユーザ名非公開 · 73問 · 9ヶ月前Vitamines en Mineralen
Vitamines en Mineralen
73問 • 9ヶ月前microbiologie
microbiologie
ユーザ名非公開 · 47問 · 9ヶ月前microbiologie
microbiologie
47問 • 9ヶ月前Tentamen jaar 1
Tentamen jaar 1
ユーザ名非公開 · 80問 · 9ヶ月前Tentamen jaar 1
Tentamen jaar 1
80問 • 9ヶ月前Oefententamen
Oefententamen
ユーザ名非公開 · 26問 · 8ヶ月前Oefententamen
Oefententamen
26問 • 8ヶ月前問題一覧
1
Onwaar
2
Kiem fase
3
onwaar
4
Eukaryote cellen hebben een celkern en organellen, prokaryote cellen niet.
5
G+
6
waar
7
Onwaar
8
Onwaar
9
1 dag, soms langer
10
Dat is de relatie tussen inname van verschillende hoeveelheden pathogenen/toxines en het effect op een persoon
11
Onwaar
12
waar
13
Rauw vlees, kip/kalkoen, eieren, kip en melk(producten)
14
Waar
15
Bij ongeveer 107 bacteriën/g product
16
waar
17
Omdat die levensmiddelen uit microbiologisch oogpunt zeer bederfelijk zijn en om die reden na korte tijd een onmiddellijk gevaar voor de menselijke gezondheid kunnen opleveren.
18
Verlaagd de wateractiviteit, laat micro-organismen afsterven en stopt de groei daarvan.
19
waar
20
0,80-0,60
21
waar
22
Vetoplosbare vitaminen zijn hydrofoob, wateroplosbare vitaminen niet
23
Het risico op toxische effecten van wateroplosbare vitaminen is laag
24
D en K
25
Vitaminen zijn essentieel bij de productie van energie in het lichaam
26
Folaat
27
In de lever
28
Het zijn anorganische elementen
29
Verminderde botdichtheid
30
Vitaminen uit plantaardige bronnen hebben een hogere biobeschikbaarheid dan vitaminen uit dierlijke bronnen
31
Het bevindt zich voornamelijk extracellulair
32
Vitamine A - ontwikkeling van huidcellen mogelijk maken
33
Mineralen kunnen onderdeel van een molecuul worden
34
waar
35
Omdat de opname van vitamine B12 vermindert
36
Renine zorgt voor de omzetting van angiotensinogeen in angiotensine I
37
meer dan 1000 liter
38
Uitscheiden van overtollig fosfaat
39
Resorptie is het opnemen van stoffen uit de voorurine in het bloed
40
De nierslagader voert ongefiltreerd bloed aan De nierader voert gefiltreerd bloed af De urether voert urine af
41
De voorurine bevat geen eiwitten, het bloed in de capillairen wel
42
In de proximale tubulus, de lis van Henle, de distale tubulus én de verzamelbuis
43
Hyperthyroïdie
44
De hypothalamus
45
Alle bovenstaande antwoorden zijn juist
46
Thyroxine
47
Alle bovenstaande antwoorden zijn juist
48
Dan gaat de productie van TRH en TSH omhoog
49
Alle bovenstaande antwoorden zijn juist
50
Vergrote schildklier
51
Lage botdichtheid
52
De bijschildkliertjes gaan minder PTH afgeven
53
Ze nemen niet voldoende calcium op
54
beide stellingen zijn juist
55
Stimuleren calciumopname door botweefsel
56
Vitamine D, cacitonine en parathormoon (PTH)
57
Periost - substantia compacta - substantia spongiosa - beenmerg
58
Het bevorderen van de opname van calcium in de darmen
59
Overtollig ijzer raakt het lichaam daardoor moeilijk kwijt
60
Het ijzer in deze cellen wordt opgenomen door de lever en milt
61
onwaar
62
Rode bloedcellen zijn vergroot bij foliumzuurgebrek en kleiner bij ijzergebrek
63
Om zuurstof de spiercellen in te transporteren
64
De binding beschermt het lichaam tegen oxidatieschade
65
waar
66
Als ferritine complex
67
Het is een belangrijk onderdeel van het celmembraan
68
De grootte van de rode bloedcellen kleiner dan normaal
69
Onwaar
70
Fysische gevaren, chemische gevaren, microbiologische gevaren, allergenen en radioactiviteit
71
De fase waar het uiteindelijke toxische effect tot stand komt
72
De fase van de opname, verdeling, biotransformatie en uitscheiding van de toxische stof in het lichaam
73
De lever
74
Xenobioticum
75
Wateroplosbare stof
76
De NOAEL (of BMDL) wordt bij proefdieren bepaald, vervolgens wordt deze gedeeld door een veiligheidsfactor van 100
77
De laagte dosering met waarneembaar toxisch effect ligt rond de 18 mg
78
Stukjes metaal, glas en plastic
79
eiwitten in het celmembraan, cytoplasma of celkern waarmee een bepaald molecuul kan binden.
80
Deze genen zorgen ervoor dat een cel met te veel of onherstelbare DNA-schade overgaat tot celdood.
81
waar
82
Cafeïne, glycyrrhizine en glycoalkaloïden
83
Fycotoxinen zijn gifstoffen gevormd door algen
84
Via milieuverontreinigingen
85
TDI en ARfD
86
DDT hoopt zich op in vetweefsel van iedere schakel in de voedselketen
87
De stof wordt heel langzaam of niet afgebroken door de natuur
88
Leverworst, eieren en melk
89
Een functionele klasse hoeft niet vermeld te worden op een etiket
90
EU1333/2008
91
2
92
Om een technologische functie in een voedingsmiddel te vervullen
93
Schatting van de hoeveelheid bestrijdingsmiddel die je binnen 24 uur kan innemen zonder dat het slecht is voor de gezondheid.
94
De MRL, oftewel het maximale residu limiet, wordt gecontroleerd door de NVWA
95
Worden o.a. gebruikt om de melkproductie te stimuleren
96
waar
97
Zijn gewasbeschermingsmiddelen tegen bodem-aaltjes
98
Furaan is een stof die hierbij kan ontstaan
99
Bij de vorming van acrylamide reageert het aminozuur asparagine met een reducerende suiker.
100
Mayonaise