Inloggen

Hoofdstuk 1 les 1

Hoofdstuk 1 les 1
24 vragen • 2 j geleden
  • Maurita den Besten
  • rapporteren

    Vragenlijst

  • 1

    ik ... (hebben)

    heb

  • 2

    wij ... (hebben)

    hebben

  • 3

    jij ... (hebben)

    hebt

  • 4

    hij ... (hebben)

    heeft

  • 5

    jullie ... (hebben)

    hebben

  • 6

    zij (ona) ... (hebben)

    heeft

  • 7

    ... jij? (hebben)

    heb

  • 8

    ... hij? (hebben)

    heeft

  • 9

    ik ... (zijn)

    ben

  • 10

    hij ... (zijn)

    is

  • 11

    u ... (zijn)

    bent

  • 12

    wij ... (zijn)

    zijn

  • 13

    jullie ... (zijn)

    zijn

  • 14

    het ... (zijn)

    is

  • 15

    dat/deze ... (zijn)

    is

  • 16

    Ik heb een hond. dat is ... hond

    mijn

  • 17

    jij hebt een auto. dat is ... auto

    jouw

  • 18

    u heeft een mooie jas. dat is ... jas

    uw

  • 19

    wij hebben een dochter. dat is ... dochter

    onze

  • 20

    jullie hebben een zoon. dat is ... zoon

    jullie

  • 21

    zij (ona) heeft een fiets. dat is ... fiets

    haar

  • 22

    hij heeft een coole muts. dat is ... muts

    zijn

  • 23

    ja mam (schrijf in het Nederlands)

    ik heb

  • 24

    ja jestem (schrijf in het Nederlands)

    ik ben

  • Hoofdstuk 1 oefening 9

    Hoofdstuk 1 oefening 9

    Maurita den Besten · 16 vragen · 2 j geleden

    Hoofdstuk 1 oefening 9

    Hoofdstuk 1 oefening 9

    16 vragen • 2 j geleden
    Maurita den Besten

    Hoofdstuk 1 oefening 10

    Hoofdstuk 1 oefening 10

    Maurita den Besten · 17 vragen · 2 j geleden

    Hoofdstuk 1 oefening 10

    Hoofdstuk 1 oefening 10

    17 vragen • 2 j geleden
    Maurita den Besten

    Hoofdstuk 2 oefening 1

    Hoofdstuk 2 oefening 1

    Maurita den Besten · 11 vragen · 1 j geleden

    Hoofdstuk 2 oefening 1

    Hoofdstuk 2 oefening 1

    11 vragen • 1 j geleden
    Maurita den Besten

    Hoofdstuk 2 oefening 2

    Hoofdstuk 2 oefening 2

    Maurita den Besten · 17 vragen · 1 j geleden

    Hoofdstuk 2 oefening 2

    Hoofdstuk 2 oefening 2

    17 vragen • 1 j geleden
    Maurita den Besten

    Hoofdstuk 2 oefening 3+4 (tot c)

    Hoofdstuk 2 oefening 3+4 (tot c)

    Maurita den Besten · 20 vragen · 1 j geleden

    Hoofdstuk 2 oefening 3+4 (tot c)

    Hoofdstuk 2 oefening 3+4 (tot c)

    20 vragen • 1 j geleden
    Maurita den Besten

    Hoofdstuk 2 oefening 5

    Hoofdstuk 2 oefening 5

    Maurita den Besten · 27 vragen · 1 j geleden

    Hoofdstuk 2 oefening 5

    Hoofdstuk 2 oefening 5

    27 vragen • 1 j geleden
    Maurita den Besten

    Normale zinnen

    Normale zinnen

    Maurita den Besten · 23 vragen · 1 j geleden

    Normale zinnen

    Normale zinnen

    23 vragen • 1 j geleden
    Maurita den Besten

    Grammatica

    Grammatica

    Maurita den Besten · 20 vragen · 1 j geleden

    Grammatica

    Grammatica

    20 vragen • 1 j geleden
    Maurita den Besten

    Oefening 7

    Oefening 7

    Maurita den Besten · 27 vragen · 1 j geleden

    Oefening 7

    Oefening 7

    27 vragen • 1 j geleden
    Maurita den Besten

    Ik heb en ik ben

    Ik heb en ik ben

    Maurita den Besten · 14 vragen · 1 j geleden

    Ik heb en ik ben

    Ik heb en ik ben

    14 vragen • 1 j geleden
    Maurita den Besten

    Vragenlijst

  • 1

    ik ... (hebben)

    heb

  • 2

    wij ... (hebben)

    hebben

  • 3

    jij ... (hebben)

    hebt

  • 4

    hij ... (hebben)

    heeft

  • 5

    jullie ... (hebben)

    hebben

  • 6

    zij (ona) ... (hebben)

    heeft

  • 7

    ... jij? (hebben)

    heb

  • 8

    ... hij? (hebben)

    heeft

  • 9

    ik ... (zijn)

    ben

  • 10

    hij ... (zijn)

    is

  • 11

    u ... (zijn)

    bent

  • 12

    wij ... (zijn)

    zijn

  • 13

    jullie ... (zijn)

    zijn

  • 14

    het ... (zijn)

    is

  • 15

    dat/deze ... (zijn)

    is

  • 16

    Ik heb een hond. dat is ... hond

    mijn

  • 17

    jij hebt een auto. dat is ... auto

    jouw

  • 18

    u heeft een mooie jas. dat is ... jas

    uw

  • 19

    wij hebben een dochter. dat is ... dochter

    onze

  • 20

    jullie hebben een zoon. dat is ... zoon

    jullie

  • 21

    zij (ona) heeft een fiets. dat is ... fiets

    haar

  • 22

    hij heeft een coole muts. dat is ... muts

    zijn

  • 23

    ja mam (schrijf in het Nederlands)

    ik heb

  • 24

    ja jestem (schrijf in het Nederlands)

    ik ben