Inloggen

Oefening 7

Oefening 7
27 vragen • 1 j geleden
  • Maurita den Besten
  • rapporteren

    Vragenlijst

  • 1

    Ik ... in een ziekenhuis. Ik heb een stethoscoop. Ik ben docter. (Pracuję w szpitalu. Mam stetoskop. Jestem lekarzem.)

    werk

  • 2

    Ik werk in een ziekenhuis. Ik ... een stethoscoop. Ik ... docter. (Pracuję w szpitalu. Mam stetoskop. Jestem lekarzem.)

    heb - ben

  • 3

    Ik werk in een ziekenhuis. Ik ... een stethoscoop. Ik ben docter. (Pracuję w szpitalu. Mam stetoskop. Jestem lekarzem.)

    heb

  • 4

    Ik werk in een ziekenhuis. Ik heb een stethoscoop. Ik ... docter. (Pracuję w szpitalu. Mam stetoskop. Jestem lekarzem.)

    ben

  • 5

    Je ... in een school. Je hebt een bord en een stift. Jij bent leraar. (Pracujesz w szkole. Masz tablicę i marker. Jesteś nauczycielem.)

    werkt

  • 6

    Je werkt in een school. Je ... een bord en een stift. Jij ... leraar. (Pracujesz w szkole. Masz tablicę i marker. Jesteś nauczycielem.)

    hebt - bent

  • 7

    Je werkt in een school. Je ... een bord en een stift. Jij bent leraar. (Pracujesz w szkole. Masz tablicę i marker. Jesteś nauczycielem.)

    hebt

  • 8

    Je werkt in een school. Je hebt een bord en een stift. Jij ... leraar. (Pracujesz w szkole. Masz tablicę i marker. Jesteś nauczycielem.)

    bent

  • 9

    Jij ... goed. Heb je een restaurant? (Dobrze gotujesz. Czy masz restaurację?)

    kookt

  • 10

    Jij kookt goed. ... je een restaurant? (Dobrze gotujesz. Czy masz restaurację?)

    heb

  • 11

    Anna ... een camera. Zij maakt een foto. (Anna ma aparat. Robi zdjęcie.)

    heeft

  • 12

    Anna ... een camera. Zij maakt een foto. (Anna ma aparat. Robi zdjęcie.)

    heeft

  • 13

    Anna heeft een camera. ... maakt een foto. (Anna ma aparat. Robi zdjęcie.)

    zij

  • 14

    We ... les. We zoeken de klas. (Mamy klasę. Szukamy klasy.)

    hebben

  • 15

    We hebben les. We ... de klas. (Mamy klasę. Szukamy klasy.)

    zoeken

  • 16

    Zij ... fotograaf. (Ona jest fotografem.)

    is

  • 17

    Wij ... studenten (Jesteśmy uczniami)

    zijn

  • 18

    ik ...

    heb

  • 19

    jij ...

    hebt

  • 20

    hij/zij ...

    heeft

  • 21

    wij/jullie/zij ...

    hebben

  • 22

    Wij hebben een auto. .... wij een auto? (Mamy samochód. Czy mamy samochód?)

    hebben

  • 23

    Hij ... een vriendin. Heeft hij een vriendin? (On ma dziewczynę. Czy on ma dziewczynę?)

    heeft

  • 24

    Dit is mijn vrouw. ... dit jouw vrouw? (To jest moja żona. Czy to twoja żona??

    is

  • 25

    Zij heeft een huis in het centrum. ... zij een huis in het centrum? (Ma dom w centrum. Czy ona ma dom w centrum?)

    heeft

  • 26

    Ik ben bakker. ... ik bakker? (jestem piekarzem. Czy jestem piekarzem?)

    ben

  • 27

    hebben jullie een auto? (czy masz samochód?)

    hebben

  • Hoofdstuk 1 les 1

    Hoofdstuk 1 les 1

    Maurita den Besten · 24 vragen · 2 j geleden

    Hoofdstuk 1 les 1

    Hoofdstuk 1 les 1

    24 vragen • 2 j geleden
    Maurita den Besten

    Hoofdstuk 1 oefening 9

    Hoofdstuk 1 oefening 9

    Maurita den Besten · 16 vragen · 2 j geleden

    Hoofdstuk 1 oefening 9

    Hoofdstuk 1 oefening 9

    16 vragen • 2 j geleden
    Maurita den Besten

    Hoofdstuk 1 oefening 10

    Hoofdstuk 1 oefening 10

    Maurita den Besten · 17 vragen · 2 j geleden

    Hoofdstuk 1 oefening 10

    Hoofdstuk 1 oefening 10

    17 vragen • 2 j geleden
    Maurita den Besten

    Hoofdstuk 2 oefening 1

    Hoofdstuk 2 oefening 1

    Maurita den Besten · 11 vragen · 1 j geleden

    Hoofdstuk 2 oefening 1

    Hoofdstuk 2 oefening 1

    11 vragen • 1 j geleden
    Maurita den Besten

    Hoofdstuk 2 oefening 2

    Hoofdstuk 2 oefening 2

    Maurita den Besten · 17 vragen · 1 j geleden

    Hoofdstuk 2 oefening 2

    Hoofdstuk 2 oefening 2

    17 vragen • 1 j geleden
    Maurita den Besten

    Hoofdstuk 2 oefening 3+4 (tot c)

    Hoofdstuk 2 oefening 3+4 (tot c)

    Maurita den Besten · 20 vragen · 1 j geleden

    Hoofdstuk 2 oefening 3+4 (tot c)

    Hoofdstuk 2 oefening 3+4 (tot c)

    20 vragen • 1 j geleden
    Maurita den Besten

    Hoofdstuk 2 oefening 5

    Hoofdstuk 2 oefening 5

    Maurita den Besten · 27 vragen · 1 j geleden

    Hoofdstuk 2 oefening 5

    Hoofdstuk 2 oefening 5

    27 vragen • 1 j geleden
    Maurita den Besten

    Normale zinnen

    Normale zinnen

    Maurita den Besten · 23 vragen · 1 j geleden

    Normale zinnen

    Normale zinnen

    23 vragen • 1 j geleden
    Maurita den Besten

    Grammatica

    Grammatica

    Maurita den Besten · 20 vragen · 1 j geleden

    Grammatica

    Grammatica

    20 vragen • 1 j geleden
    Maurita den Besten

    Ik heb en ik ben

    Ik heb en ik ben

    Maurita den Besten · 14 vragen · 1 j geleden

    Ik heb en ik ben

    Ik heb en ik ben

    14 vragen • 1 j geleden
    Maurita den Besten

    Vragenlijst

  • 1

    Ik ... in een ziekenhuis. Ik heb een stethoscoop. Ik ben docter. (Pracuję w szpitalu. Mam stetoskop. Jestem lekarzem.)

    werk

  • 2

    Ik werk in een ziekenhuis. Ik ... een stethoscoop. Ik ... docter. (Pracuję w szpitalu. Mam stetoskop. Jestem lekarzem.)

    heb - ben

  • 3

    Ik werk in een ziekenhuis. Ik ... een stethoscoop. Ik ben docter. (Pracuję w szpitalu. Mam stetoskop. Jestem lekarzem.)

    heb

  • 4

    Ik werk in een ziekenhuis. Ik heb een stethoscoop. Ik ... docter. (Pracuję w szpitalu. Mam stetoskop. Jestem lekarzem.)

    ben

  • 5

    Je ... in een school. Je hebt een bord en een stift. Jij bent leraar. (Pracujesz w szkole. Masz tablicę i marker. Jesteś nauczycielem.)

    werkt

  • 6

    Je werkt in een school. Je ... een bord en een stift. Jij ... leraar. (Pracujesz w szkole. Masz tablicę i marker. Jesteś nauczycielem.)

    hebt - bent

  • 7

    Je werkt in een school. Je ... een bord en een stift. Jij bent leraar. (Pracujesz w szkole. Masz tablicę i marker. Jesteś nauczycielem.)

    hebt

  • 8

    Je werkt in een school. Je hebt een bord en een stift. Jij ... leraar. (Pracujesz w szkole. Masz tablicę i marker. Jesteś nauczycielem.)

    bent

  • 9

    Jij ... goed. Heb je een restaurant? (Dobrze gotujesz. Czy masz restaurację?)

    kookt

  • 10

    Jij kookt goed. ... je een restaurant? (Dobrze gotujesz. Czy masz restaurację?)

    heb

  • 11

    Anna ... een camera. Zij maakt een foto. (Anna ma aparat. Robi zdjęcie.)

    heeft

  • 12

    Anna ... een camera. Zij maakt een foto. (Anna ma aparat. Robi zdjęcie.)

    heeft

  • 13

    Anna heeft een camera. ... maakt een foto. (Anna ma aparat. Robi zdjęcie.)

    zij

  • 14

    We ... les. We zoeken de klas. (Mamy klasę. Szukamy klasy.)

    hebben

  • 15

    We hebben les. We ... de klas. (Mamy klasę. Szukamy klasy.)

    zoeken

  • 16

    Zij ... fotograaf. (Ona jest fotografem.)

    is

  • 17

    Wij ... studenten (Jesteśmy uczniami)

    zijn

  • 18

    ik ...

    heb

  • 19

    jij ...

    hebt

  • 20

    hij/zij ...

    heeft

  • 21

    wij/jullie/zij ...

    hebben

  • 22

    Wij hebben een auto. .... wij een auto? (Mamy samochód. Czy mamy samochód?)

    hebben

  • 23

    Hij ... een vriendin. Heeft hij een vriendin? (On ma dziewczynę. Czy on ma dziewczynę?)

    heeft

  • 24

    Dit is mijn vrouw. ... dit jouw vrouw? (To jest moja żona. Czy to twoja żona??

    is

  • 25

    Zij heeft een huis in het centrum. ... zij een huis in het centrum? (Ma dom w centrum. Czy ona ma dom w centrum?)

    heeft

  • 26

    Ik ben bakker. ... ik bakker? (jestem piekarzem. Czy jestem piekarzem?)

    ben

  • 27

    hebben jullie een auto? (czy masz samochód?)

    hebben